jun 112017
 

‘Wit’ is in opmars als aanduiding voor een (voorheen) blanke huidskleur. Dat wil zeggen, ik zie het steeds vaker staan in mijn huisblad, de NRC. Horen doe ik het nog niet zo vaak. De eerste keren dat ik het woord las ging er bij mij een wenkbrauw omhoog en deed ik het maar af als een barbarisme. Voor zover het ergernis veroorzaakte was het uit taalzuiverheid. Nu wit blijft opduiken vraag ik me af, doe je hieraan mee?

Taalevolutie kan een bevreemdende ervaring zijn. Op enig moment heeft er iemand bedacht dat het anders kan en voor je het door hebt zijn de mores veranderd. Terwijl ik dit schrijf gaan mijn gedachten daarom steeds naar het nummer van Nat King Cole:“I was walking along, minding my business…” En net als in het nummer was met een luide knal de wereld niet meer zoals je hem daarvoor kende. Taalevolutie is een kracht die sterker is dan jijzelf. Je hebt weinig grip op hoe de mensen om je heen praten. Vraag dat maar na bij de Bond tegen het Vloeken. Wat je nog wel kan is kiezen welke woorden je zelf gebruikt of juist voorlopig links laat liggen. Er is meestal keuze genoeg en sommige woorden raken uiteindelijke vergeten. Zo vind ik het zelf spijtig dat het woord ‘opportuun’ in onmin raakte; een prachtige en handige term.

Nieuwe woorden zijn zichtbaarder dan niet meer gebruikte woorden. Het valt je namelijk meer op als je iets nieuws hoort dan wanneer je iets vertrouwds een tijdje niet hoort. Via allerlei manieren verspreid het zich en raakt het in zwang. Dikwijls gaat het om een noviteit; iets wat meedingt naar de Woord-van-het-Jaarprijs. We kenden het nog niet, maar vinden het wel grappig. Marketinglui proberen op die manier een hype te creëren met pijnlijke samenstellingen tot gevolg, zoals de Apptivisten van GroenLinks.

Maar goed, terug naar de centrale vraag: is wit een waardige vervanger voor blank? Om die te kunnen beantwoorden zijn er twee denkstappen nodig. Is het nodig om blank te vervangen en zo ja waardoor dan?  Daar gaat-ie dan.

Het nadeel van blank is dat het in de Nederlandse vorm nauwelijks als kleur wordt gebruikt: blanke lak is doorzichtig. Het enige voorbeeld dat ik ken waarin blank als kleur wordt gebruikt is bij de Prinsenvlag, de ‘ranje-blanje-bleu. Als dit de enige connotatie is lijkt me verandering niet ongewenst. De twee hoofdargumenten tegen blank zijn dat het de huidskleur in relatie brengt met reinheid – blank hout als onaangetast hout – en dat het daardoor herinnert aan de raciale verschillen tijdens de slavernij, waarin blank als superieur werd gezien. Als ik kijk naar de oorzaken lijkt wegsturen van blank goed, maar ik zie nog niet hoe ‘wit’ hierin een verbetering is. De connotatie van wit is niet beter dan die van blank. Het is de kleur van onbevlekte Maria en van bruiden die voor het eerst trouwen. Wit veronderstelt net zoals blank reinheid. Het resultaat is voor beide: liever niet gebruiken.

Descriptief doet wit het al net zo slecht als zwart. Op het kleurenpalet zouden dat gekke mengelmoesje beige-roze en bruin preciezer zijn. Huidskleur is niet het enige waar die verbetering mogelijk is. Witbrood is misschien wit, maar hoe wit waren de laatste witte druiven die je hebt gegeten? De huid zelf is wellicht wittig, maar lijkt roze door de spiermassa en het bloed die er doorheen schijnen. De huid laat zien wat eronder zit – net als een lichte lak. Als het zou gaan om beschrijving, kun je misschien beter kiezen voor licht en donker. Dat zet huidskleur in een lieve alomvattende relatie tot elkaar. Ander nadeel van primaire kleurnamen: rood en geel hebben als het gaat om huidskleur ook een slechte bijklank.

Als het gaat om connotatie heeft wit een slechte start gekregen. Woordkeuze draagt een zekere mode met zich mee en sommige woorden horen bij een bepaalde groep of levensstijl. Zo is het zeggen van ‘ijskast’ sjiek, terwijl koelkast accurater is. Wit kwam in zwang door heftige maatschappelijke discussie en werd onderdeel van die polarisatie. Kortweg: wie voor een traditionele piet is zegt blank en als je voor een reform-piet bent zeg je wit. Wit heeft daarmee al gefaald met wat het wil beogen: een neutraler alternatief vormen, dat vrij is van die oude connotatie. Het is te vaak vermeld tussen boze en man. Het lastige daaraan is dat als het woordobject zich niet kan vinden in de term de aanduiding zich langzaamaan ontwikkelt tot scheldwoord.

Er is gelukkig nog een sterk pleit vóór wit. Zwart en wit zijn beide woorden met een Germaanse oorsprong en vormen een consistenter paar dan zwart en blank. Blancus was de Latijnse vorm van ‘wit’ de tegenhanger van de term die nu als scheldwoord wordt ervaren: nigrum.[1] Als we bereid zijn de een vanwege het beladen historische verleden te verlaten, dan is het niet meer dan redelijk om de gehele set van de hand te doen. Al was het maar uit taalpurisme. Onder het mom van één ei is geen ei vond ik het van de Volkskrant een sympathieke zet om autochtoon samen met alle allochtonen te vervangen door de streepjes-Nederlander.

Vooralsnog is de conclusie dat verandering wenselijk is, maar het resultaat een verslechtering. Ik denk dat de nieuwe term, welke er ook verzonnen kan worden, een eigen lading met zich meekrijgt. ‘Wit’ zouden we kunnen zien als een gefaalde proef. Tijd voor iets nieuws. Is ons bestuur bereid er een prijsvraag voor uit te schrijven?

[1] Mag ik vast een voorspelling doen van een mogelijk vervolgdiscussie? In het Latijn zijn er meerdere woorden voor wit. Blancus is een latere toevoeging voor het eerdere candidus. Wie zich verkiesbaar stelde voor een openbare functie droeg om herkenbaar te zijn een witte toga (toga candida). Een kandidaat voor rij-examen of een tv-quiz is in letterlijke zin een blanke. Misschien wordt dat nog een nieuwe steen des aanstoots.