Er was eens een volkstuintje. Het was niet zo groot, maar er waren veel mensen die er samen in tuinierden. In de tuin stond een grote verscheidenheid aan planten. Er waren lange rijen bloemen. Je zag er struiken met allerlei soorten besjes. Langs de randen was een mooie moestuin aangelegd. Aan de westzijde van de tuin stond een grote kas, die soms de rest van het tuintje in de schaduw zette. “Tsja,” zeiden de tuinders, “daar doe je niet zo veel aan.”

Midden in de tuin stond een prachtige boom. Hij had een gladde zilveren bast en een uitgebreid takkennetwerk. Aan alle takken hingen gouden bladeren en vruchten zo groot als je hand. Deze boom had een ingewikkelde naam, laburnum gentis pecunia. Ze noemden hem daarom gewoonweg ‘de Geldboom’. Sinds het volkstuintje bestond was hij uitgegroeid tot een machtige en grote boom, maar de tuinders waren het niet altijd eens over hoe ze ervoor moesten zorgen.

Als ze de boom niet zouden stutten, dan zou hij pardoes omvallen. Aan de noordkant was de boom al een beetje aan het verzakken. Mark en Diederik stonden rond de boom, met allebei hun armen om de stam. Mark stond aan de ene en Diederik weer aan de andere zijde. Zo probeerden ze de boom overeind te houden, zo goed als het ging. Ze vroegen Kees wel eens om hulp. Die gaf hier en daar een zetje, maar las liever in z’n boek.

Halbe vond dat de boom het wel goed deed zoals het ging:
“De boom groeit uit zichzelf wel door, we moeten alleen als het winter is goed snoeien.”
Daar werd Emile weer geweldig boos van:
“Ben je van de ratten besnuffeld! We moeten juist bemesten met deze zware vorst. Onze ouderen hebben deze tuin opgebouwd en nu maak jij alles kapot. Kijk, daar verderop staan wat vette koeien, die kunnen best wat mest missen.”
Sybrand protesteerde met geheven wijsvinger:
“Je hebt van tuinieren niet zo veel kaas gegeten, dat is wel duidelijk. Laat het nu maar over aan de mensen met ervaring en met een hart voor deze tuin.”

Lodewijk stond tegen de poort geleund en keek naar de tuinders om zich heen. Hij wilde best wat zeggen, maar bijna niemand wilde naar hem luisteren. Hij kon altijd zo goed met Mark, maar die had toch de leiding. En Emile deed alles veel stoerder klinken. Daar kon hij niet tegenop. Vanuit zijn ooghoek zag hij een vreemd groepje mensen aankomen. Was dat niet die olijke tweeling, Jan en Jan? Jan bestuurde een klein trekkertje, met daarachter een kar vol met paaltjes en draad. Daarbovenop die stapel zat Jan in de aanhangwagen.
“Wat gaan jullie doen” vroeg Lodewijk.
“Wij gaan de geldboom beschermen!” riepen Jan en Jan.
“Maar als er allemaal draad om de boom staat dan kunnen we er toch niet meer bij met onze kruiwagentjes?” riep Lodewijk verbaasd. Hij rende naar de boom en tikte Diederik af op zijn schouder. Nu was het zijn beurt. En daar is hij trots op.

Even verderop stonden Henk en Alex met elkaar te bekvechten.
“We moeten de wortels versterken, zij dragen de boom!” spuwde Alex en hij prikte met zijn vinger op Henks borst.
“Onzin! We moeten stoppen te blijven plukken van de kaalste takken.” stelde Henk kordaat.
“Kijk nou eens goed naar die boom, Henk. Die takken zijn zo zwaar, de boom helt bijna door! De boom kan het niet meer dragen” en Alex keek hoopvol naar de anderen.
“Dat gewicht zit in de takken zelf, daar verander je niets aan door vruchten te plukken” dramde Henk door en kneep zijn handen samen tot vuisten.

Het begon allemaal een beetje uit de hand te lopen. Mark probeerde daarom de politie te bellen, maar er werd niet opgenomen. Hij probeerde eerst Ivo te bellen en toen Fred. Die bleken allebei niet op kantoor te zitten, maar daar wist Mark niets van.
“Probeer Ard!” suggereerde Lodewijk. Maar ook Ard was al vertrokken.

Ondertussen reden Jan en Jan schouderophalend door naar de geldboom en zagen daar een vreemd toneel. Marianne en Jesse dansten wild rond de boom. Ze droegen zwarte oorlogsstrepen op hun gezicht. Met een netje probeerden ze de vruchten uit de boom te halen. Ze werden hoe langer hoe bozer, want ze mochten niet bij de boom om te plukken.
“Jullie zijn uitvreters” schreeuwde Geert
“Er zijn niet eens genoeg vruchten voor mensen die hun hele leven lang in deze tuin hebben gewerkt. Jullie mogen helemaal geen vruchten!”
En Geert bleef maar doorbulderen.

Al dat gebulder begon de anderen een beetje op hun zenuwen te werken. Dat duurde nu al zo lang. Gert-Jan kreeg een idee en overlegde eens met de anderen. Ze besloten Geert maar een beetje te laten en gaven de schuld aan Toon. Volgens hen was die helemaal verkeerd. En als de boom uiteindelijk zou vallen, dan lag het aan Toon. Zij konden er niets aan doen, het was Toon die een einde maakte aan dat kleine volkstuintje.