“…Maar ik lees ze nooit.” Een bekend verschijnsel; het spelen met woorden lijkt vooral leuk om zelf te doen, niet om te kijken. Net als schaatsen eigenlijk. Of misschien een betere vergelijking – gedichten zijn net als meningen: they come a dime a dozen, en niemand zit echt op die van jou te wachten tenzij je 1. je naam gevestigd hebt als iemand die weet waar hij het over heeft (Edgar Allan Poe), of 2. bekend bent (denk aan Tim Hofmans dichtbundel die momenteel niet aan te slepen is). Deze gelijkenis met meningen zal geen toeval zijn. Mensen die gedichten schrijven lijken veelal het gevoel te hebben dat ze iets belangrijks te melden hebben – een inzicht over zichzelf of de wereld.

Eigenlijk jammer dus, die hooggeletterdheid (dat is een woord, want dichterlijke vrijheid) in onze maatschappij. Waren we nog maar onbenullig gepeupel. We laten het niet meer over aan de aangewezen grote dichters die de oorsprong van het vaderland in een heldenepos gieten, zoals de Aeneïs door Vergilius. Dat was pas vakwerk: slechts enkele regels per dag schrijven, en doorlopend herzien en bijschaven. Een metrum en talloze soorten stijlfiguren gebruiken om een groots onderwerp te beschrijven. Als je doodgaat voordat het werk af is eisen dat het in de hens wordt gezet. Er lijkt een vergelijkbare ontwikkeling te zijn als die van de kunst die ik in mijn vorige artikel beschreef. Bekende dichters zijn heel anders gaan dichten dan vroeger: persoonlijker en expressiever.

Ik ken een hobbydichter die regelmatig zijn gedichten voorleest in en rondom Groningen. Hij vertelde mij eens wat zijn filosofie van het dichten is: poëzie is iets zeggen zonder het direct te zeggen. Met alle respect naar die dichter vind ik dat een juveniele visie. Het impliceert namelijk dat er iets is dat je wil zeggen, maar dat je de moeite doet om je boodschap te verhullen achter symboliek en gekunstelde taalconstructies. Als je iets wil zeggen moet je dat gewoon doen. “Lieve Lisa, ik vind je heel knap en wil je graag zoenen. Ga alsjeblieft met me uit.” Zo.

Voor de duidelijkheid: ik ben geen kenner, ik vind poëzie slechts een interessant onderwerp. Ik lees hier en daar op het internet gedichten, en ik vraag me af: wat zijn gedichten nou eigenlijk?
In het dagelijks leven gebruiken we taal om boodschappen door te geven. Een deel van die boodschappen gaan over hoe we ons voelen. Dagelijks taalgebruik is echter meestal hard en pragmatisch. Poëzie is een manier van communiceren die niet een omschrijving geeft van de emotie, maar de emotie zelf. Dat lijkt op de definitie van de bevriende dichter. Toch denk ik dat er een nuanceverschil is. Ik denk dat emoties, complex als ze zijn, vrijwel ongrijpbaar zijn voor de taal. Poëzie is als je iets wil zeggen maar je weet niet hoe, en het dan toch proberen. Daarbij wordt poëzie ook vaak om de taal geschreven – de taal zelf wordt kunst.

Het Duitstalige gedicht Todesfuge van Paul Celan uit 1948 gaat over de concentratiekampen in de Tweede Wereldoorlog. Aangrijpend en op de een of andere manier bedwelmend als je het leest.

Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends
wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts
wir trinken und trinken
wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete
er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne er pfeift seine Ruden herbei
er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde
er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz

Het gedicht gaat zo nog een stuk langer door. De titel van het gedicht slaat er op dat het geschreven is als een fuga. In een fuga zitten veel variaties met herhalende melodieën. Celan deed dat met zinsnedes, telkens weer stukjes herhalend, steeds schrijnender, naar een hoogtepunt toe – de laatste strofe juist eindigend in een piano:

dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith

Dit gedicht laat duidelijk zien wat voor meerwaarde poëzie kan hebben omdat het over zoiets verschrikkelijks als genocide gaat. Heel kort samengevat kun je zeggen: de Tweede Wereldoorlog was heel erg. Poëzie lijkt de ervaring van een mens die dit meemaakt zo goed en zo kwaad als het gaat proberen over te brengen.

Er zijn vele gedichten die min of meer hetzelfde doen, maar ze doen dat allemaal op een eigen manier. Het gedicht Insomnia van J. C. Bloem lijkt meer van de oude stempel, hoewel het later is geschreven dan Todesfuge. Het is heel kunstig geschreven, een sonnet. Do not stand at my grave and weep van Mary Elizabeth Frye wordt graag gebruikt voor rouwkaartjes en dergelijke – lieflijk, sussend, repetitief, met veel rijm. Mother to son van Langston Hughes is in ordinaire spreektaal geschreven en is verdrietig maar ook aansporend. Hell is a lonely place van Charles Bukowski is bijzonder eenzaam en pijnlijk, geschreven als een verhaal maar toch poëtisch, gepuncteerd. Dorothy Parker leed aan depressies. Haar gedichten zijn juist geen pogingen om die verstikkende gevoelens in taal te vatten, maar juist om ze in iets moois te veranderen – dan konden anderen er tenminste om lachen:

Resumé

Razors pain you;

Rivers are damp;

Acids stain you;

And drugs cause cramp.

Guns aren’t lawful;

Nooses give;

Gas smells awful;

You might as well live.

Over humor gesproken: mijn taalheld, Drs. P.
Bekendst is Dodenrit, maar hij heeft vele andere dingen geschreven zoals talloze gedichten over groenten en fruit, liedjes als Sneker Café, De Gezusters Karamazov, Cafe Chantant, Ripspique, Het Speelgoedmannetje, De Veerpont, Jubelzang en Knolraap en Lof, Schorseneren en Prei. Stuk voor stuk hilarisch, als je maar een beetje luistert. Droog, studentikoos, flauw, maar bovenal met fantastisch taalgebruik. Bijzonder is overigens dat hij van oorsprong Zwitser was. Hij heeft ook een geweldige dichtvorm uitgevonden: het ollekebolleke. Hij heeft zelfs de hele Odyssee in ollekebollekevorm herschreven!

Even uw aandacht graag!

Korte berichtgeving:

Ondergenoemde

Is niet meer in beeld –

Wat hier (behalve voor

Onbelangstellenden)

Hartelijk groetend

Wordt medegedeeld

Drs. P

Dit ollekebolleke verscheen in zijn overlijdensadvertentie. Zo’n twee jaar voor zijn dood zag ik in de tram in Amsterdam (waar hij woonde) een oude, iele man met een bontmuts zachtjes om zich heen kijken. Ik kende Drs. P’s gezicht alleen van de cd-hoes bij mijn ouders thuis en wist niet zeker of het hem was. Ik durfde hem niet aan te spreken dus ik zal het nooit weten.

Ik ken een paar gedichten van Remco Campert. Zijn gedichten lijken niet altijd even kunstig en sierlijk als die van andere dichters. Het mooie aan zijn gedichten is: ik weet niet precies wat hij bedoelt, maar ik ben het er roerend mee eens. Tegen de zomer drukt precies de zomer en de winter uit. Zondag een gevoel van verlorenheid in de wereld. Pluksgewijs lijkt iets te zeggen over pogingen om dingen uit te drukken, een gedicht te creëren. Het gedicht is voor mij te gesloten om er met zekerheid iets over te zeggen.

In mijn middelbare school hing een poster met een gedicht van Simon van der Geest dat ik uit mijn hoofd kan – mijn lievelingsgedicht. Het is zonder pretenties ontzettend lief en aandoenlijk. Als ik het lees stel ik helemaal geen domme vragen meer over de functie van poëzie. Bij mij doet het precies wat het hoort te doen.

Ik ben zo lenig door de warte
eh zo warrig door de lente

Ben in de bladerbloesemwar
de kiezelende stralenwar
de gniechelende stikkewar
de stommestillestarenwar

Ik bloos me alle kleuren
spruttel woorden uit mijn mond
Ze strikkelen mijn lippen over
donken languit op de grond

Ik warrel en ik zwarrel maar
ik krabbel wel een brief
Zo hardop zeggen lukt me niet
ik vind je veel te lief

—————-

Spraakwaterartikel geschreven door Yonna Hali.
Photo courtesy featured image: Terra L. Fletcher’s Tumblr.