dec 212016
 
museo_borghese_stanza_dellapollo_dafne_g-l-_bernini_apollo_e_dafne_1624_01

Apollo en Daphne van Bernini. Photo by Sailko.

Een goede vriend van mijn ouders is gepensioneerd docent en kan als de beste verhalen vertellen. Hij heeft kunstgeschiedenis gestudeerd en is fan van de meest uiteenlopende soorten kunst, van Bernini tot Mondriaan. Nu valt er over de genialiteit van Bernini bijna niet te twisten. Correctie: over de genialiteit van Bernini valt helemaal niet te twisten. Maar hoe kan het in godsnaam dat de vriend van mijn ouders met gelijk enthousiasme over gekleurde vlakjes vertelt? Na ellenlange discussies over dit onderwerp, waar mijn vader de boventoon voerde – “Jij gaat mij toch niet vertellen dat je die behangontwerpen écht geweldig vindt, hè?” – besloot die vriend een keer om mij (mijn ouders waren toch niet meer te redden, de jeugd heeft de toekomst!) mee te nemen naar het Stedelijk Museum in Amsterdam en mij persoonlijk een tour te geven. Ik moest een notitieboekje en een pen meenemen. Ik werd langs Malevich gevoerd, Picasso, Mondriaan, een mobile van Calder. Hoogtepunt van de tour was toen we een paar minuten lang stil stonden bij het (in de thumbnail getoonde) werk Cathedra van Barnett Newman, een doek van 243 bij 543 cm.

6613901189_6d922060f4_z

Een mobile van Alexander Calder. Photo by Mark B. Schlemmer

Het is alweer een paar jaar geleden, de kennis is nogal weggezakt, maar het was wel de kiem van een interesse voor ‘onbegrijpelijke’ kunst. De kunstwereld is groot, allerminst uniform en daardoor erg onoverzichtelijk. Vele kunstenaars met vele verschillende visies proberen hun weg naar succes te vinden en hun kunst bij een bepaald publiek bekend te maken. Dit gaat van hyperrealistische, technisch extreem goed uitgewerkte potloodtekeningen tot pindakaasvloeren. Hoe heeft de rare kunst zich dan zo stevig in de toonaangevende musea genesteld? Ik stel me vaak een excentrieke museumdirecteur voor die fan wordt van een of andere nóg exentriekere kunstenaar, bij de bestuursvergadering vurig betoogt dat ze deze ene reuzachtige installatie van oud hout, verroeste spijkers en autobanden écht moeten hebben en dan bij tien verschillende fondsen gaat bedelen om bijdragen, bewerend dat ze de kosten dubbel en dwars terug zullen verdienen omdat mensen van heinde en verre zullen komen om dit meesterwerk te zien. Of zoiets.

Lange tijd in de geschiedenis was het vrij duidelijk wie er bepaalde wat kunst was. Een kunstenaar, beter gezegd een ambachtsman, maakte zijn werken in opdracht van de adel, of zelfs een vorst of de paus. Zoals te voorspellen lag de thematiek dan wel zo’n beetje vast. In de Gouden Eeuw ontstond veel vraag naar kunst bij de rijke burgerij, met als resultaat een gigantische productie stillevens en portretten. Vanaf de tweede helft zeventiende eeuw stuurden kunstenaars in Frankrijk hun beste werken in bij de Parijse salon. Een strenge jury bepaalde wat wel goed en mooi was en wat niet. Voor enige tijd werd op afgewezen stukken zelfs een rode ‘R’ van ‘refusé’ gestempeld, waardoor ze bijna onverkoopbaar werden.

keith_haring_1986

Keith Haring in actie. Foto van het Nationaal Archief.

Tegenwoordig zijn er veel meer wegen die naar Rome leiden, deels omdat de elite (die de kunstwereld meestal financiert) is veranderd, maar ook omdat de elite niet meer alles te zeggen heeft. Een mooi voorbeeld is Keith Haring, die volgens deskundigen als het ware via de achterdeur de kunstwereld binnen is gekomen – en daar lange tijd populair bleef. Hij maakte, illegaal, krijttekeningen in de metrostations van New York, een soort kruisingen tussen cartoons en grottekeningen. In plaats van weggezet te worden als de zoveelste graffitimaker, werkte hij zichzelf na verloop van tijd de kunstwereld in. Vooral politieke en sociale issues vormden voor hem inspiratie. Zo deed hij eigenlijk hetzelfde als een van zijn invloeden, Andy Warhol: de massacultuur en de ‘lage’ kunst de galerijen in smokkelen. Maar Keith Haring liet zijn kunst ook buiten de galerijen voortbestaan. Hij opende bijvoorbeeld de Pop Shop, waar allerlei producten met afbeeldingen van zijn kunst werden verkocht, en hij verspreidde zijn kunst door de nieuwe media van de twintigste eeuw.

512px-malevich-suprematism

Acht rode rechthoeken door Kazimir Malevich.

In de eerste helft twintigste eeuw waren er autoriteiten die probeerden, nu met geweld, het kunstlandschap nog steeds vorm te geven. In het Stedelijk vertelde de vriend van mijn ouders over de problemen die Malevich ondervond in Rusland na de Revolutie. Zijn geometrische, abstracte kunstwerken leken in de verste verte niet op het socialistisch realisme dat het Sovjetregime wilde zien. Op het laatst mocht hij zijn werk niet meer uitvoeren. Een ander beroemd voorbeeld is de kunstpolitiek van het nazi-regime. Zogenaamde entartete Kunst werd geëxposeerd als voorbeeld van hoe het niet moest. Kunstenaars werden onderdrukt en werken werden vernietigd.

Kunst bevindt zich tegenwoordig niet meer per definitie in een lijst of op een sokkel, wat nog verder wordt gevoerd door kunstenaars als Tino Sehgal. Hij probeert kunst te maken die zich niet in de fysieke wereld bevindt, maar alleen nog maar tussen mensen onderling, door situaties te creëren. Als hij een deal sluit met een museumdirecteur wordt die zelfs mondeling gesloten in plaats van dat er een papieren contract opgesteld wordt zoals gebruikelijk is. Ik ben in het Stedelijk getuige geweest van enkele van zijn werken. Een paar mensen gekleed in het uniform van suppoost bevonden zich in het museum. Eentje zong telkens als er iemand haar zaal inkwam dezelfde regel: “This is propaganda, you know, you know, this is propaganda, you know, you know.” In stede van naambordje zei ze daarna: “Tino Sehgal, This is Propaganda, 2002.” In een andere zaal stond een “suppoost” zeer uitdagend en erg seksueel tot op haar onderbroek te strippen, continu oogcontact makend met de bezoekers. Ik was daar met een excursie van school. Met klasgenoten. Het was ongemakkelijk.

Wat verder boeiend is aan ‘rare’ kunst is de artistieke integriteit van veel kunstenaars. Voor een buitenstaander zijn de werken van Jackson Pollock willekeurige spetters verf. Pollock zelf was er van overtuigd dat, als hij eenmaal ‘in’ zijn schilderij zat, het werk een eigen leven had en zich cultiveerde tot een krachtige, maar harmonieuze compositie, dat onmogelijk ontstaan kon zijn als hij maar een beetje met verf aan het spetteren was geweest; de techniek, ‘dripping’, had hij eerst lange tijd geoefend en geperfectioneerd. Als er toeschouwers waren, vonden ze het frappant dat Pollock rondlopende mensen en het geluid van fototoestellen niet leek te bemerken.

6129061029_61551c0883_b

Mark Rothko – No. 14. Photo by Allie Caulfield

De schilder Piet Mondriaan ontwikkelde een theosofische kunsttheorie. Hij was vrij rigide in zijn levensstijl als kunstenaar. Zijn hele woning was ingericht zoals zijn schilderijen: strak, met alleen zwart, wit en de primaire kleuren. Groene en paarse voorwerpen kwamen er niet in en hij deed continue aanpassingen aan de kamers, ze met stukken papier vormgevend zoals hij met stukjes tape negen maanden lang gedreven aan zijn laatste werk Victory Boogie Woogie werkte.

Enfin, niet iedereen is onder de indruk van de pogingen van Rothko om emoties op te roepen door middel van gelaagde kleurvlakken. Ook ik begrijp er niks van en sommige mensen vinden het ronduit saai. Maar of je nu wel of niet een spirituele ervaring krijgt en in huilen uitbarst als je voor een Rothko staat (dit schijnt soms te gebeuren), de kunstwereld is in de vorige eeuw zeker niet saaier geworden.

door Yonna Hali

The first featured image was photographed by Eric de Redelijkheid. We do not own any of the images.