nov 162016
 

Spraakwaterartikel door Matthijs Bonvanie – Vroeger was alles beter, vraag maar aan je Ome Joop op het volgende familiefeestje. Toen hoefde je je achterdeur tenminste niet op slot te doen, keek men nog naar elkaar om en schreef je poep nog met een lange ‘oe’. Ach die goeie oude tijd! Nu wil ik niet graag te sentimenteel doen, maar zo nu en dan steek je er nog eens wat van op. Onze professoren zijn briljante geesten geworden in een andere omgeving dan waarin zij ons nu doceren. Hoe kan het dat zij zo goed terecht zijn gekomen, terwijl zij al die voorzieningen nog niet hadden? Misschien kunnen we er nog wat van leren. Daarom deze week: hoe onze professores studeerden.

We hebben het over de tijd dat de Tweede Kamer nog maar 100 zetels had. Over toen je niet op vakantie ging naar Spanje of Portugal, met die foute mannen daar aan het roer. Niet dat je daar over hoefde naar te denken, want een vliegreis was nog zo’n geweldige luxe die de gewone man nooit zou kunnen betalen. Het was de tijd van de socialistische spelling, die een extra ‘n’ middenin de pannenkoek stopte en ons Nederlands verrijkte met dit soort sindsdien korrekte zinnen: ‘de criticus schreef kritisch over het acteerspel in de slotakte’. Kortom, toen onze profs nog jonge korps … pardon, corpsballetjes en – ballinetjes waren.

Er was geen vast curriculum voor je studie. Je klopte simpelweg aan op de werkkamer van de prof van jouw voorkeur en vroeg of je zijn vak mag volgen.

Het academisch kwartiertje bestond nog, de geformaliseerde gewoonte dat alles een kwartier later begon dan je had afgesproken. Je college begon op papier misschien om 13:00, wat betekende dat iedereen zo rond 13:10 binnendruppelde om een kwartier na het begin aan te vangen.

Er was geen werkcollege. Een maal per week verzamelden de studenten zich in een prachtige zaal met metershoge plafonds en fris geboende lambrisering. Daarin ratelde de prof twee uur aan een stuk zijn verhaal, terwijl jij je best deed alles op te schrijven. Dat moest wel, want waar vond je deze informatie immers later terug?

Er was geen syllabus. Je ging naar de bibliotheek, selecteerde een dozijn boeken met betrekking tot het vak en sloeg aan het lezen.

Er was geen tentamen. Diezelfde lijst met boeken die je doorgeploegd had gaf je aan je prof. Die had ze allemaal reeds gelezen, zodat je zonder vertraging kon worden getoetst. Hij liet zijn secretaresse een prachtige gebonden agenda trekken, waarin je mocht aangeven wanneer je op mondeling wilde komen, zodat je de prof je door kon zagen over alles wat je inmiddels dacht te weten.

Lukte dat niet tijdens kantooruren? Dan kwam je maar naar z’n huis! Dat was overigens ook de plaats van college als alle zalen al bezet waren, en soms als de prof geen zin had voor slechts een handjevol student de gang naar de universiteit te maken.

Nu is het niet zo erg dat we sommige zaken achter ons hebben gelaten. De introductie van het werkcollege lijkt me een prachtige ontwikkeling. Ik denk dat velen onder ons moeten gruwen van het idee in je eentje met een docent naar huis te gaan, dat is wel erg intiem (lees anders maar De Wetten van Connie Palmen). Het academisch kwartiertje heeft nog zo lang bestaan dat ik het zelf nog net heb meegemaakt. Ik vond het zelf wel handig, omdat ik minder dan een kwartier reistijd had naar de collegezaal. Voor het college van 13:00 moest ik dan ook precies om 13:00 vertrekken.

Als je zo terugkijkt zie je dat de universiteit een docerend karakter is aangemeten. Eigenzinnigheid heeft plaatsgemaakt voor een controleerbare college- en tentamineringsstructuur. Dat is zonder twijfel of tegenwerping een goede zaak. Toch is het interessant om te kijken wat we weg hebben gegooid. Ik wil alsnog pleiten voor het mondeling als tentamenvorm, de minst kwantificeerbare en intensiefste denkbaar.

Op een mondeling kun je niet A-B-C of D gokken, met een mondeling toets je hoe goed iemand écht zijn stof beheerst. Je hebt geen last van het verkeerd lezen van de vraag. Je bent met de docent in dialoog en hij stuurt je bij als je zijn intentie niet hebt begrijpen. Iedereen die eens een toets heeft nagekeken zal je kunnen vertellen hoeveel punten er verloren gaan door onbewust overgeslagen elementen (onderbouw je antwoord met TWEE voorbeelden, geef aan waarom de gegeven casus GEEN vorm van begrip A is.), terwijl je kunt zien dat de kandidaat zijn stof goed heeft doorgenomen. Een mondeling blijft objectief genoeg, zolang je maar een set basisvragen en twee beoordelaars hebt. Helaas passen de benodigde arbeidsuren niet meer in de begroting van een rendabele universiteit.

Ook de open discussie van ideeën mag van mij meer naar voren komen. In mijn eerste jaar geschiedenis kreeg ik voor het minorvak Midden- en Oost-Europese Studies de volgende opdracht. Selecteer uit de volgende lijst romans ten minste vier werken die je zorgvuldig leest. Deze werken zijn niet geselecteerd omdat zij de collegestof zo goed uitleggen, maar omdat zij het behandelde toepassen op de wereld om hen heen.

Op het tentamen bleek voor elk van deze boeken een zeer open essay vraag te staan, bijvoorbeeld ‘bespreek de rol van censuur in Sovjet-Rusland in De Meester en Margarita’ van Michail Boelgakov. Dit is de beste tentamenvraag die ik ooit heb gehad, durf ik met oprecht ernst te zeggen. Deze vraag speelde in op wat ik zelf heb begrepen van het boek, zonder het in een dwingende toetsvorm te gieten.

Bovendien heeft het nog iets veel belangrijkers weten te bereiken. Het zorgde voor een echte interesse in mijn vakgebied, vier jaar later lees ik met veel plezier de boeken van Kadare of Kertesz. Is dat niet waar studeren om hoort te draaien? Dat zie ik door een meerkeuzetoets nog niet gebeuren.