jan 172016
 

Ingezonden Spraakwaterartikel door Homer Wagenaar  Onder sommige debaters heerst het idee dat het jureren van debat ‘objectief’ kan zijn (Maaike’s recente contributie in de Spraakwater) of dat er slechts één juiste uitslag is van een debat (Joe Dyer, gebroken op EUDC, en al dertien toernooien geCA’ed). Dit is onjuist.

Het jureren van een debat is geen wetenschap. Net als de humaniora maakt jureren niet alleen gebruik van logica, maar baseert de oordelen ook op het gevoel. Met andere woorden, jurering is niet alleen op basis van logos, maar ook pathos/ethos. Al onze waarden en ethiek zijn een door opvoeding gevoed gevoel van goed of fout. Zodra iemand onrecht begaat zouden we bijvoorbeeld kwaad moeten worden. Zodra een risico te groot dreigt te worden, zouden we angstig moeten worden en dat risico moeten vermijden. De opvoeding geeft aan wat onrechtvaardig of gevaarlijk is, en daarmee wanneer de emoties gerechtvaardigd zijn. Rechtvaardigheid en veiligheid zijn grote concepten die debaters graag gebruiken, maar ze zijn uiteindelijk niet meer dan een mooi woord voor een gevoel opgewekt in een bepaalde context. Omdat de gevoeligheid voor emoties door karakter en opvoeding per jurylid verschilt, kan je niet ervan uitgaan dat er één juiste uitslag kan zijn.

Zelfs de ‘logische’ redeneringen zijn echter niet ‘objectief’ te maken. Begrip van een argument kan namelijk in de praktijk niet worden onderscheiden van interpretatie en toepassing. Met interpretatie bedoel ik het plaatsen in de voorgrond van bepaalde aspecten, waarbij andere aspecten naar de achtergrond verdwijnen. Interpretatie is net als het leggen van focus bij een foto. Het is noodzakelijk, omdat anders alles één grijze vage massa wordt. Als ik bijvoorbeeld zeg: “Nederland is een democratisch land”, dan kan iemand daar meerdere manieren naar kijken om mijn zin te begrijpen. Hij/zij kan bijvoorbeeld een politieke interpretatie pakken, waarbij hij het politieke stelsel beoordeeld op hoe vrij de toegang is voor burgers. Hij kan ook een sociale interpretatie nemen, waarbij hij beoordeelt in hoeverre bijvoorbeeld het verenigingsleven in het land open is voor alle sociale groepen. Beide zijn even legitiem. De rest van het debat zal een context geven waarom één interpretatie waarschijnlijker is dan de andere.

Met toepassing bedoel ik het gebruiken van de eigen ervaringen als voorbeelden om iets te begrijpen. Woorden van een debater roepen beelden en andere associaties op, welke voortkomen uit wat het jurylid al eerder ervaren heeft. Toepassing is de grootste hindernis voor begrip door een ander, omdat je niet altijd kan weten wat je jurylid heeft ervaren, noch welke ervaringen hij of zij zal gebruiken. Wel kan je het sturen door je eigen voorbeelden te geven. In de debatwereld hebben we daarom het ongemakkelijke concept van de ‘gemiddelde krantenlezer’ bedacht, maar helaas verschilt het begrip van dit concept van jurylid tot jurylid, juist vanwege het interpretatie- en toepassingsprincipe.

Deze argumenten gecombineerd betekenen dat het jurylid slechts een ‘beste mogelijke juryuitslag in de omstandigheden’ kan geven, niet ‘de ware juryuitslag’. Omdat een jurylid geen standaard evaluatief kader heeft, maar kan kiezen uit verscheidene, zal hij of zij dus altijd zijn of haar keuze moeten kunnen verantwoorden. En omdat de keuze gebaseerd is op ‘passendheid’ op het debat, en dat dit maar net afhankelijk is van hoe hij of zij het debat begrepen heeft, dient het jurylid net als de debaters hen te overtuigen waarom zijn of haar interpretatie van het geobserveerde debat een overtuigende is. Er zit daarom eigenlijk geen verschil tussen een conclusiespreker en een juryvoorzitter, behalve dat de juryvoorzitter niet van tevoren een zijde toegewezen heeft gekregen.